de of het
Alle lessen
thema 3 min

Dieren & soorten

Namen van specifieke diersoorten zijn in het Nederlands vrijwel altijd "de". Dit geldt voor zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en de meeste andere diergroepen.

Voorbeelden: de leeuw, de bever, de kreeft, de marter, de ree, de mol. Vogels die al in de lessen staan: de mees, de vink, de specht. Vissen: de baars, de snoek, de zalm.

De algemene woorden voor diergroepen zijn soms "het": het dier (zelfstandig), het beest. Maar de concrete soortnamen zijn bijna altijd "de".

Een ezelsbruggetje: denk aan de namen van huisdieren die je kent — de hond, de kat, de hamster, de cavia. Ze zijn allemaal "de". Datzelfde patroon geldt voor vrijwel alle andere diersoorten.