Alle lessen
Dialecten & taalvarianten
Namen van dialecten en regionale taalvarianten van het Nederlands gebruiken in het Nederlands "het", net als namen van talen.
Voorbeelden: het Fries, het Brabants, het Limburgs, het Gronings, het Zeeuws. Dit zijn allemaal "het"-woorden.
Dit volgt dezelfde logica als taalnamen: het Frans, het Duits, het Spaans. Een dialect is immers ook een taalvorm, en taalvormen zijn in het Nederlands onzijdig.
Let op het verschil met de persoon die het dialect spreekt: een Fries (de Fries) spreekt het Fries. De taal is "het", de persoon is "de".
Voorbeelden